Door mr. Tjeerd Hoekstra, CMS

 

Veel FHI-bedrijven hebben werknemers in dienst die regelmatig op de weg zitten, bijvoorbeeld om uw klanten te bezoeken. Als dat het geval is, dan is de reistijd die werknemers in dat verband maken aan te merken als arbeidstijd, voor zover de contractueel overeengekomen arbeidstijd als gevolg van die reistijd wordt overschreden. En als dát het geval is, is het de vraag of die arbeidstijd voor vergoeding in aanmerking komt.

Recent heeft het Gerechtshof Arnhem- Leeuwarden hierover een duidelijke beslissing gewezen. Deze beslissing is interessant, omdat het Gerechtshof goed heeft gekeken naar zowel Europese wetgeving, en uitspraken van het Europese Hof van Justitie, als Nederlandse wetgeving.

In de praktijk zal het regelmatig voorkomen dat een werknemer als gevolg van de reistijd van en naar de werklocatie (klanten of projecten) langer aan het werk is voor de werkgever dan het contractueel overeengekomen aantal uren. Hiervan zal sneller sprake zijn als een werknemer een functie uitoefent waarvoor hij naar de klant of een projectlocatie zal moeten reizen, zoals de functies van Servicemonteur en Sales- of Account Manager.

In september 2015 heeft het Europese Hof van Justitie (het “Hof”) in een Spaanse zaak al bepaald dat de reistijd van werknemers – die geen vaste of gebruikelijke werkplek hebben – naar een klant als arbeidstijd dient te worden aangemerkt. De argumentatie daarachter was dat de arbeidstijd de tijd omvat waarin de werknemer werkzaam is, ter beschikking van de werkgever staat en zijn werkzaamheden of functie uitoefent – een en ander in lijn met nationaal recht. Het Hof heeft bepaald dat de werknemer tijdens de reistijd naar een klant onderworpen is aan het instructierecht van de werkgever. De werkgever kan de volgorde van te bezoeken klanten wijzigen of afspraken schrappen of toevoegen. In het arrest uit 2015 benadrukte het Hof dat de Europese regelgeving in dit verband alleen voorwaarden stelt aan de kwalificatie van arbeidstijd. Of die arbeidstijd ook voor beloning in aanmerking komt, wordt door Europese wet- en regelgeving niet bepaald.

In 2013 oordeelde de Hoge Raad al dat de reistijd van de woonplaats van de werknemer naar een klant of project van de werkgever als arbeidstijd moet worden aangemerkt. Wat dat betreft zijn de hoogste nationale rechter en de hoogste Europese rechter het met elkaar eens.

In de kwestie die speelde bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden stelde een werknemer zich op het standpunt dat de extra reistijd die hij maakte van zijn woonplaats naar de werklocatie waar hij (tijdelijk) was gedetacheerd ook voor vergoeding in aanmerking diende te komen. De werknemer had daarvoor een loonvordering ingesteld.

Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden baseert de beslissing op de Europese wetgeving en de rechtspraak van het Hof en de Hoge Raad. Zowel Europees recht, als Nederlands recht bepaalt niet dat de reistijd die als arbeidstijd wordt aangemerkt voor vergoeding in aanmerking dient te komen. Het is vanzelfsprekend mogelijk dat de reistijd die als arbeidstijd wordt aangemerkt wél voor vergoeding in aanmerking komt als dat door de werkgever contractueel is afgesproken. Te denken valt aan regelingen die bepalen dat reistijd vanaf een bepaalde duur (bijvoorbeeld 30 minuten) wel wordt beloond tegen een (uur)tarief. Dergelijke afspraken kunnen in een collectieve arbeidsovereenkomst, een personeelsreglement of in een individuele arbeidsovereenkomst worden vastgelegd.

Wanneer er geen afspraken zijn gemaakt over beloning van reistijd naar klanten en/of projecten van de werkgever, dan kunnen werk- nemers geen aanspraak maken op vergoeding van die reistijd. Als werknemers al daadwerkelijk betaald in de file staan, zal dat het gevolg zijn van concrete afspraken die daarover door de werkgever zijn gemaakt.